Gaudentius Diemel - Leidse jaren 1790-1818

🪟 VENSTER 1 - VAN KNECHT NAAR MEESTER

1.1 Als kleermakersknecht naar Leiden.....
Toen Gaudentius Diemel op 12 februari 1790 poorter van Leiden werd, was de stad voor hem beroepsmatig niet nieuw. Uit een verzoekschrift aan het Gerecht van Leiden en de daarop genomen beschikking van 20 mei 1790 blijkt dat hij toen al ongeveer negen maanden als kleermakersknecht bij een meester-kleermaker binnen Leiden had gewerkt. Zijn Leidse loopbaan moet daarmee uiterlijk omstreeks augustus 1789 zijn begonnen, mogelijk nog iets eerder. Aan het verzoek bij het Gerecht was namelijk al een eerdere stap voorafgegaan. Gaudentius had zich eerst tot de deken en hoofdmannen van het kleermakersgilde gewend met het verzoek de meesterproef te mogen afleggen. Zij hadden hem dit geweigerd, omdat hij niet voldeed aan de vereiste diensttijd van twee jaar als knecht. Pas daarna legde hij zijn verzoek aan het stadsbestuur voor. Hoeveel tijd tussen deze verschillende stappen verstreek, is niet bekend. Daarom kan niet nauwkeuriger worden vastgesteld wanneer Gaudentius bij een Leidse meester-kleermaker begon te werken. Bij welke meester hij in dienst was, vermeldt het document helaas evenmin. Ook weten we niet of zijn werk in Leiden meteen betekende dat hij Stompwijk definitief verliet. Mogelijk reisde hij in deze eerste periode tussen Stompwijk en Leiden heen en weer, of vond hij tijdelijk onderdak in de stad terwijl Marijtje en de kinderen nog in Stompwijk verbleven. Het is echter evenzeer mogelijk dat het gezin al in deze periode naar Leiden verhuisde. De bronnen geven daarover geen uitsluitsel.
Zijn eerste bekende Leidse woonadres is Beschuitsteeg nr. 12, waar hij in het bevolkingsregister als huurder staat ingeschreven. Wanneer hij daar precies zijn intrek heeft genomen, is echter niet vast te stellen. Het register is over een langere periode bijgehouden en vermeldt verschillende opeenvolgende huurders en bijwoners, met daarnaast verschillende data van inkomst en verhuizing.






Deze gegevens zijn niet steeds eenduidig aan de afzonderlijke namen te koppelen. Ook de datum 4 januari 1791, die in het register voorkomt, kan daarom niet zonder meer als de datum worden beschouwd waarop Gaudentius zich in de Beschuitsteeg vestigde. Er blijft zo een belangrijke leemte bestaan tussen zijn eerste aantoonbare werkzaamheden in Leiden, uiterlijk omstreeks augustus 1789, en zijn eerste bekende woonadres.
Waar Gaudentius in die beginperiode verbleef en wanneer Marijtje en hun vier zoons Stompwijk precies voor Leiden verruilden, weten we niet.

1.2 Poorter van Leiden.....

Op 12 februari 1790 werd Gaudentius officieel tot poorter van Leiden aangenomen. In het poorterboek staat hij vermeld als ‘Goudens Diemel, kleermakersknecht, geboren in ‘Nederenbergen in ’t Cleefse’. Bakker Barend van Dorsten en kruidenier Gerrit Lambooij traden daarbij als getuigen op. Het poorterschap was niet noodzakelijk om in Leiden te wonen of er als knecht bij een meester te werken. Dat Gaudentius zich na minstens enkele maanden werken in de stad toch als poorter liet aannemen, krijgt extra betekenis door wat kort daarna gebeurde.

1.3 Op weg naar de meesterproef.....
Gaudentius wilde kennelijk verder komen dan het knechtschap. Hij wendde zich tot de deken en hoofdmannen van het Leidse kleermakersgilde met het verzoek de meesterproef te mogen afleggen.






Zij weigerden hem echter tot die proef toe te laten. Volgens artikel 2 van de ordonnantie van het kleermakersgilde moest een kandidaat twee jaar als knecht bij een meester-kleermaker hebben gewerkt. Gaudentius kon op dat moment slechts ongeveer negen maanden diensttijd bij een meester binnen Leiden aantonen. Hij legde zich niet bij die weigering neer en wendde zich vervolgens, met hulp van Gijsbert van der Spruijt, tot het Gerecht van Leiden. Van der Spruijt was in deze periode klerk ter secretarie van Leiden; bij zijn huwelijk voor de schepenbank op 24 juni 1790 wordt hij als zodanig vermeld. Welke rol hij precies bij het verzoek van Gaudentius vervulde, blijkt niet uit de stukken. Zijn functie maakt echter begrijpelijk dat hij Gaudentius behulpzaam kon zijn bij het voorleggen van zijn verzoek aan het stadsbestuur.
Op 20 mei 1790 volgde de beschikking. Het Gerecht verleende Gaudentius dispensatie van artikel 2 van de gildeordonnantie. Hij mocht de meesterproef alsnog voor de deken en hoofdmannen afleggen, mits hij vooraf bij de secretarie van de stad ten behoeve van de armen vijftien gulden en vijftien stuivers betaalde.

1.4 De meesterproef: hoe liep het af?
Hier laat het archief ons helaas in de steek. De toestemming van het Gerecht bewijst dat Gaudentius de meesterproef mocht afleggen, maar niet dat hij dat daadwerkelijk heeft gedaan of ervoor is geslaagd. In de bewaard gebleven gildeboeken is daarvan geen bevestiging gevonden. We moeten daarom voorzichtig zijn hem vanaf 1790 zonder meer meester-kleermaker te noemen. Wat de stukken wél laten zien, is dat hij betrekkelijk kort na het begin van zijn werkzaamheden in Leiden stappen zette om verder te komen in zijn vak. Eerst werkte hij er als knecht, vervolgens werd hij poorter en daarna verkreeg hij zelfs dispensatie om ondanks zijn te korte diensttijd tot de meesterproef te worden toegelaten. Of hij die laatste stap met succes voltooide, blijft onbekend. Latere bronnen laten echter zien dat het kleermakersvak zijn verdere leven bepaalde.

De patentregisters van 1817 en 1818 bevestigen dat hij tot aan het einde van zijn leven als zelfstandig kleermaker werkzaam was. Hoe en wanneer hij in de tussenliggende jaren die zelfstandige positie precies heeft verworven, blijft vooralsnog een ontbrekend stukje in zijn levensverhaal. Met zijn beroepsmatige positie in Leiden enigszins in beeld, dient zich een volgende vraag aan: waar woonde Gaudentius met zijn gezin in de stad? Zijn opeenvolgende adressen blijken opvallend dicht bij elkaar te hebben gelegen. Zij voeren ons naar een klein gebied rond de Hooigracht, waar zich vrijwel zijn gehele Leidse leven zou afspelen.