Gaudentius Diemel - Jeugdjaren 1755-1777

1. GAUDENTIUS’ JEUGD

1.1 Geboortedorp Niederbergheim
Gaudentius werd op 16 februari 1755 geboren in Niederbergheim, een klein dorp in het Duitse Sauerland. Twee dagen later werd hij gedoopt in de rooms-katholieke kerk St. Johannes Baptist in Allagen. Als tweede zoon van Johannes Theodorus en Anna Margaretha Gosleken groeide hij op met zijn oudere broer Johannes Wilhelm Heinrich (Henricus), zijn jongere broer Johannes Wilhelm (Willem) en zijn jongere zus Maria Elisabeth. Zijn oudste zus, Maria Gertrudis, stierf al na zeven maanden, waardoor hij haar nooit heeft gekend. Gaudentius was pas tien jaar oud toen zijn vader in 1765 overleed. Vermoedelijk heeft hij al op jonge leeftijd een belangrijke bijdrage moeten leveren aan het gezinsinkomen.

Dit was een zware opgave in een tijd waarin een groot deel van de plattelandsbevolking in Westfalen het economisch buitengewoon moeilijk had. Het arme deel van de bevolking – vaak horigen – was afhankelijk van lokale heren en werkte op land dat toebehoorde aan adellijke families of de kerk. Zij bezaten zelf geen grond, maar kregen deze in bruikleen. In ruil voor diensten en betalingen in geld of oogst mochten zij een Kotten (keuterboerderij) bewonen. Persoonlijk bezit was schaars en werd volgens de toenmalige Duitse erfenistraditie meestal aan de oudste zoon toebedeeld. Voor de jongere kinderen was er doorgaans de keuze tussen uitkoop of een vorm van pacht bij de oudste broer. Een jongere zoon die wilde blijven, had het recht om in een aangebouwd gedeelte van de boerderij te wonen en kreeg enkele hectaren land ter beschikking. Voor het bewerken van deze grond mocht hij de materialen van zijn broer gebruiken en zijn vee – zoals een koe, zeug of schaap – op de meent laten weiden. In ruil hiervoor moesten zij hun pacht betalen in de vorm van baar geld en arbeidshulp op de hoofdboerderij. Wie niet voor deze afhankelijke positie koos of simpelweg niet uitgekocht kon worden, moest zijn heil elders zoeken als knecht, dagloner of seizoenarbeider. In het ouderlijke gezin van Gaudentius was waarschijnlijk geen sprake van een substantiële erfenis voor de oudste zoon, laat staan van kapitaal om de andere kinderen uit te kopen of hen van voldoende land te voorzien.

Zijn grootvader Georgij Diemers – ook wel Jürgen Luchters genoemd – woonde volgens de belastingregisters van Niederbergheim uit 1717 met zijn vrouw Anna Margaretha en een ‘armlastige vader’ in een Kotten.

Transcriptie:
- Jürgen Luchters ein Strasenliger und Schneider frey: 27 (Schillinge)
- dessen fraw: 13 (Schillinge), 6 (Pfennige)
- der alter Vatter so der Allmosen lebet, Cess.: -
- Ein Beyligger Tonnies so ein Schmied: 27 (Schillinge)
- dessen fraw: 13 (Schillinge), 6 (Pfennige)
- eine dochter so aber schwachsinnig ist: 4 (Schillinge), 6 (Pfennige)

Als kleermaker zal Georg dit bescheiden onderkomen vermoedelijk hebben gepacht van een grootgrondbezitter. Het gezin deelde de beperkte ruimte met een smid, diens vrouw en kind, die als onderhuurders bij hen inwoonden. Deze levensomstandigheden getuigen van armoede en een gebrek aan privacy.

De eigen thuissituatie van Gaudentius zal weinig hebben verschild van die van zijn grootvader. Ook hij zal opgegroeid zijn in een Kotten, met weinig bezit en een vader die als kleermaker het hoofd boven water probeerde te houden. Toen zijn vader in 1765 overleed, verslechterde de situatie verder. Gaudentius leerde al vroeg dat hard werken noodzakelijk was om het gezin te ondersteunen. De sobere omstandigheden waarin hij opgroeide waren destijds geen uitzondering, maar de harde realiteit voor veel Westfaalse families.

1.2 Vertrek uit Niederbergheim
Naarmate Gaudentius ouder werd, zullen de beperkte perspectieven in Niederbergheim hem steeds meer hebben beziggehouden. De succesverhalen van zijn oom Frans Otto Diemel, die als handelsman en kleermaker een beter bestaan in Holland had weten op te bouwen, kunnen hem hebben geïnspireerd.
Een paar maanden nadat zijn oudere broer Heinrich in januari 1777 het ouderlijk huis had verlaten om in Menzel te trouwen met Anna Maria Tilmann, waagde ook Gaudentius de sprong in het onbekende. Hij verliet zijn geboortedorp en trok naar Holland dat deel uitmaakte van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Hij vestigde zich in het dorpje Stompwijk, op zo’n zeven kilometer ten zuiden van Leiden. Opvallend genoeg lag dit dorpje op slechts vijftien kilometer afstand van Voorhout, waar zijn oom Frans Otto woonde.
Hoewel niet bekend is of Gaudentius bij zijn vertrek steun of advies van zijn oom heeft gekregen, suggereert de nabijheid wel dat familiebanden een rol hebben kunnen spelen bij zijn keuze voor deze bestemming. Concrete aanwijzingen hiervoor ontbreken echter.
Toch stapte Gaudentius een onzekere toekomst tegemoet; het is immers de vraag of het sociaal-economische en politieke klimaat in zijn nieuwe vaderland wel de verbetering bood waar hij op hoopte.