Gaudentius Diemel - Stompwijkse jaren 1777-1790
2. SOCIALE/ECONOMISCHE EN POLITIEKE SITUATIE IN DE REPUBLIEK EN STOMPWIJK
2.1 Sociaal/economische situatie in Republiek en StompwijkIn de achttiende eeuw bevond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zich in een periode van economische stagnatie en relatieve achteruitgang ten opzichte van de voorgaande Gouden Eeuw. Internationale concurrentie, met name van Groot-Brittannië en Frankrijk, leidde tot het verlies van de economische voorsprong die de Republiek eerder had opgebouwd. Toch bleef het gewest Holland, als economisch hart van de Republiek, migranten aantrekken vanwege de aanwezige werkgelegenheid en welvaart.
Tegelijkertijd kende deze welvaart een keerzijde. In de steden namen armoede, bedelarij en sociale spanningen toe. Hoewel lokale sectoren zoals de Leidse textielnijverheid en de Hollandse veeteelt nog steeds een zekere mate van welvaart boden, kan de achttiende eeuw in haar geheel worden beschouwd als een periode van verminderde voorspoed. Het is tegen deze achtergrond dat de komst van migranten als Gaudentius moet worden begrepen.
Tegenover deze bredere economische ontwikkeling stond het dorp Stompwijk, gelegen in het Zuid-Hollandse veenweidegebied. Stompwijk was in de 18de eeuw een typisch lintdorp, waarbij boerderijen en woningen zich aaneenrijgden langs de Stompwijkse Vaart. Tussen en achter deze bebouwing lagen uitgestrekte weilanden, doorsneden door

sloten en verbonden met bruggetjes, vaak omzoomd door rijen knotwilgen. Dit landschap was niet vanzelf ontstaan, maar het resultaat van generaties hard werken van boeren die het land ontgonnen en in cultuur brachten. Het ritme van het leven werd bepaald door het boerenbedrijf. De dag begon vroeg, met het melken van de koeien, waarna de melk verder werd verwerkt. Vooral het maken van kaas was een centrale bezigheid. In menig huishouden stond de boerin dagelijks gebogen over de kaastobbe, bezig met het stremmen, keren en verzorgen van de kazen. Haar werk was onmisbaar en ging vrijwel altijd door, zelfs onder zware omstandigheden. Niet voor niets werd haar bestaan wel samengevat als “kezen, kezen en nog eens kezen”. Daarnaast vond op kleinere schaal nog turfwinning plaats.
Rondom deze boerenstand ontwikkelde zich in Stompwijk een levendige, maar kleinschalige middenstand. Ambachtslieden zoals timmerlieden, metselaars en rietdekkers zorgden voor de bouw en het onderhoud van de boerderijen. De smid besloeg paarden, repareerde gereedschap en had vaak ook kennis van diergeneeskunde. De bakker voorzag het dorp van brood, omdat veel huishoudens geen eigen oven hadden, terwijl de slager zijn vlees betrok van lokale boeren of zelf vee hield.
Daarnaast kende het dorp een reeks kleine winkeltjes, vaak aan huis gevestigd. Hier werden basisproducten verkocht zoals koffie, thee, zout, zeep, stroop of azijn. Deze handel was meestal in handen van vrouwen en vormde een belangrijke aanvulling op het gezinsinkomen. Het ging zelden om grote zaken; vaak beperkte het assortiment zich tot enkele producten en verliep de verkoop via de achterdeur, in een sfeer van onderling vertrouwen en bekendheid.
Veel inwoners van Stompwijk combineerden meerdere beroepen om het hoofd boven water te houden. Een schoolmeester kon tegelijk koster, voorzanger en zelfs doodgraver zijn. Een boer of kastelein trad soms ook op als tolgaarder, terwijl een smid naast zijn werk als hoefsmid ook als veearts fungeerde. Deze veelzijdigheid was kenmerkend voor het dorpsleven, waarin iedereen een rol vervulde en flexibiliteit noodzakelijk was.
De sociale verhoudingen waren duidelijk, maar ook praktisch van aard. Ongehuwde vrouwen werkten vaak als dienstmeid bij een boer of dominee, of hielpen in de kaasmakerij. Gehuwde vrouwen droegen bij aan het inkomen als wasvrouw, naaister of door het runnen van een klein winkeltje. Armen waren afhankelijk van ondersteuning, maar werden geacht zoveel mogelijk zelf bij te verdienen, bijvoorbeeld met kleine handel of diensten.
De welvaart van een boer werd in Stompwijk vooral afgemeten aan zijn veestapel. Landbezit speelde een minder grote rol, omdat veel grond werd gepacht. Hierdoor konden ook boeren zonder veel eigen land toch een redelijk bestaan opbouwen, terwijl in andere gevallen juist grotere boeren afhankelijk waren van gehuurde grond.
Het dorp kende daarnaast zijn vaste gezagsdragers en dienstverleners, zoals de dominee, pastoor, schoolmeester, vroedvrouw en veldwachter. Zij vormden samen het bestuurlijke en sociale kader van de gemeenschap. Hun aanwezigheid zorgde voor orde, onderwijs en zorg, maar ook hier liepen functies vaak door elkaar en was men sterk op elkaar aangewezen.
Het leven in Stompwijk was in de 18e eeuw eenvoudig, arbeidsintensief en sterk gemeenschapsgericht. Boeren en middenstanders waren nauw met elkaar verbonden en afhankelijk van elkaars werk. Juist deze verwevenheid van landbouw, ambacht en kleinschalige handel gaf het dorp zijn karakter. In deze hechte samenleving, waar iedereen elkaar kende en meerdere rollen vervulde, kwam het sociaaleconomische leven tot uiting in een voortdurende wisselwerking tussen arbeid, zorg en onderlinge afhankelijkheid. (naar van der Krogt, 2003)
2.2 Politieke situatie in de Republiek en Stompwijk
Toen Gaudentius in Holland arriveerde, bevond de Republiek zich aan de vooravond van een periode van politieke onrust en verdeeldheid. Stadhouder Willem V hield vast aan zijn machtige positie, die steeds meer het karakter van een bijna-vorstelijk ambt had gekregen. Tegelijkertijd waren de regenten, voornamelijk stedelijke bestuurders, onderling verdeeld: sommigen bleven de stadhouder trouw, terwijl anderen zijn macht wilden inperken ten gunste van de traditionele invloed van de stedelijke elites.
Deze verdeeldheid vormde de voedingsbodem voor een nieuwe politieke beweging: de patriotten. Deze groep, bestaande uit kooplieden, advocaten en ambachtslieden, streefde naar politieke hervormingen en een grotere invloed van burgers op het bestuur. De onvrede nam verder toe na 1780, mede door economische stagnatie en de desastreuze afloop van de Vierde Engelse Oorlog. Het pamflet 'Aan het Volk van Nederland' (1781) van Van der Capellen tot den Pol gaf uitdrukking aan deze gevoelens en riep burgers op zich politiek te organiseren.
Vanaf 1783 ontstonden in verschillende steden vrijkorpsen en exercitiegenootschappen. Een belangrijk moment volgde toen de Staten van Holland op 18 november 1784 een resolutie uitvaardigden die de burgerbewapening legitimeerde. Daarmee kregen deze genootschappen, die aanvankelijk lokaal waren georganiseerd, een officiële status. Daarmee kregen deze genootschappen een officiële status en vormden zij voor patriottische regenten een strategisch alternatief machtsmiddel naast het reguliere leger van de stadhouder. De politieke spanningen begonnen hierdoor steeds meer het karakter van een interne machtsstrijd te krijgen.

Op grond van de Hollandse resolutie moesten lokale bestuurders lijsten opstellen van weerbare mannen tussen de 18 en 60 jaar. In Stompwijk werd deze registratie tussen 23 en 25 november uitgevoerd, waarbij de inwoners werd gevraagd thuis te blijven. De inventarisatie wierp een specifiek licht op de lokale verhoudingen: 125 man werden vermogend genoeg geacht om zelf voor hun uitrusting te zorgen, terwijl 299 man een beroep zouden moeten doen op een van overheidswege verstrekte uitmonstering. Daarnaast waren 37 personen vanwege een bestuursfunctie, kerkelijk ambt of gewetensbezwaren van de dienst vrijgesteld. Het plan was dat via loting een derde gedeelte daadwerkelijk aan de exercities zou deelnemen.
Dit voornemen stuitte echter op flinke weerstand. Voor veel boeren en arbeiders op het platteland betekende de burgerplicht vooral een zware extra belasting naast hun dagelijkse werk. De exercities werden dan ook vaak als een verplichting in plaats van een recht ervaren. Gezien dit sentiment stelden de Staten in een circulaire dat landlieden niet tegen hun wil genoodzaakt moesten worden buiten hun woonplaats te patrouilleren. Lokale bestuurders kregen de opdracht om omzichtig en zachtzinnig te werk te gaan. Uiteindelijk bleef de gewapende burgerbeweging aan de Leidschendam beperkt tot een vrijwillig gezelschap: 'De sociëteit van de wapenhandel', opgericht in 1786.
De politieke crisis bereikte in 1787 een beslissend keerpunt. Willem V had zich inmiddels teruggetrokken in Nijmegen, nadat hij de controle over Holland grotendeels was verloren. In een poging zijn positie te herstellen, reisde zijn echtgenote, prinses Wilhelmina van Pruisen, naar Den Haag.
Toen zij door de patriotten bij Goejanverwellesluis werd tegengehouden, leidde dit tot ingrijpen van haar broer, de koning van Pruisen. Een Pruisisch leger herstelde het gezag van de stadhouder en de patriottenbeweging werd onderdrukt. Velen vluchtten naar Frankrijk, al zou hun strijd in 1795 alsnog een vervolg krijgen met de Franse inval en het einde van het stadhouderschap.
2.3 Betrokkenheid van Gaudentius bij de politieke ontwikkelingen
Gedurende zijn verblijf in Stompwijk (1777–1790) kwam Gaudentius onvermijdelijk in aanraking met deze spanningen. Of hij daadwerkelijk de wapens heeft opgenomen, valt uit de bronnen niet met zekerheid te zeggen. De lijsten van weerbare mannen zijn niet bewaard gebleven en op de lijst van vrijgestelden komt zijn naam niet voor. Toch is een zekere betrokkenheid niet ondenkbaar; zijn broer Willem stond immers geregistreerd als weerbaar man in Rijnsburg en zijn vader was lid van de schutterij in zijn geboorteplaats Niederbergheim.
De invloed van de patriottische beweging was in zijn directe omgeving merkbaar. Pastoor Somveen, die zijn huwelijk inzegende en zijn kinderen doopte, was als overtuigd patriot en buurman een invloedrijke figuur.
Het is aannemelijk dat diens politieke opvattingen Gaudentius niet onberoerd hebben gelaten, temeer daar de patriotten zich sterk maakten voor rechten van minderheden, waaronder katholieken. Voor een katholieke migrant als Gaudentius konden deze ideeën concrete voordelen bieden.
Een duidelijker aanwijzing voor zijn politieke kleur vormt het jaar 1787, waarin Gaudentius een akte van aanstelling van geconstitueerden ondertekende. Hiermee stelde een groep inwoners vertegenwoordigers aan om hun belangen te behartigen tegenover de lokale overheid. In de context van die tijd was dit een onmiskenbaar patriottisch gebaar: burgers die opkwamen voor hun rechten en zich verzetten tegen onrechtvaardig ervaren belastingen.
Toch hoeft deze handtekening van Gaudentius niet enkel op ideologische gedrevenheid te duiden. Voor veel inwoners was deelname aan dergelijke initiatieven ook een pragmatische keuze. In een dorp waar de patriottische beweging op dat moment dominant was, kon aansluiting bij de groep bijdragen aan sociale acceptatie en stabiliteit. Het is daarom goed mogelijk dat Gaudentius zich bewoog tussen overtuiging en pragmatiek, en zich simpelweg aanpaste aan de politieke omstandigheden van zijn nieuwe vaderland.



