Gaudentius Diemel - Stompwijkse jaren 1777-1790

4. GAUDENTIUS EN DE FAMILIE LELIJVELD IN STOMPWIJK

4.1 De roots van Marijtje Lelijveld
Om meer zicht te krijgen op de achtergrond van Marijtje Lelijveld, is het nodig eerst terug te gaan naar de oorsprong van haar familie in Stompwijk. Al in de 17de eeuw – en vermoedelijk al eerder – woonden er verschillende families Lelijveld in Stompwijk. Dit waren merendeels boerenfamilies met eigendommen aan de Stompwijkseweg/-vaart, variërend van woningen tot wei-/hooiland en veengronden. Uit onderzoek komt naar voren dat Jochem Reijnen Lelijveld en Leuntje Jansdr. van der Horst de stamouders zijn van Marijtje Lelijveld. Zij trouwden vóór 1618, aangezien zij in het hoofdgeldkohier van Stompwijk uit 1623 al met drie kinderen worden vermeld. Beiden werden aan het einde van de 16de eeuw geboren. De stamreeks van Marijtje is te zien in het bijgevoegde schema.

4.2 Grootouders Reijn en het bezit van de familie
4.2.1 Reijn en Cornelia: de grootouders
Enkele generaties later komt de familie duidelijker in beeld met de grootouders van Marijtje, Reijn J. Lelijveld, geboren in 1698 te Hazerswoude, en Cornelia A. Verkade, geboren in Zoeterwoude. Zij traden in 1730 in Stompwijk in het huwelijk en kregen vier kinderen. De oudste, Jochem R. — de vader van Marijtje — werd geboren in 1730, gevolgd door Teunis R. in 1731. Daarna kwamen Anna R. (1733) en Claas R. (1734), die beiden op jonge leeftijd overleden.

4.2.2 Huizen en land in bezit van Reijn
Grootvader Reijn kocht en verkocht regelmatig huizen en verschillende soorten land, zoals hooi-, wei- en veenland, zoals blijkt uit de transportakten van het Rechterlijk Archief van Stompwijk. Bij zijn huwelijk bezat hij twee huizen:
• Een huis met winkel in de Drooggemaakte Grote Polder aan de Ommedijk;
• Een huis in de Westeinder Polder, gelegen bij herberg Het Blesse Paard.

In 1735 verkocht hij het huis met winkel aan Crijn van der Lee. Drie jaar later, in 1738, kocht hij een huis van Hendrik van ’t Wout in de Soetermeerse Meerpolder.





Het is niet duidelijk in welk huis Reijn, zijn vrouw en kinderen zich vanaf 1738 vestigden: in de Soetermeerse Meerpolder of in de Westeinder Polder.

Na circa 17 jaar hield hij zich opnieuw bezig met het kopen en verkopen van huizen:
• In 1755 kocht hij een huis in de Huizitterpolder van Crijn Joppe van Veen;
• Een jaar later, in 1756, erfde hij een ‘half’ huis van zijn oom Cornelis Claas Coot aan    de Stompwijkseweg, naast de pastorie. Na het overlijden van zijn zus Neeltje in 1765    kwam dit huis geheel op zijn naam te staan;
• In 1759 kocht hij een huis van Claas van der Laan in de Grote Blankaartpolder aan de    Stompwijkseweg, naast de Kees-Jan Koenensloot. Op dezelfde dag verkocht hij zijn    huis in de Huizitterpolder aan Jan Cornelisz. van Rijn.





Vanaf 1765 bezat Reijn vier woonhuizen. Hoewel de exacte reden voor dit bezit onbekend is, lijkt het aannemelijk dat hij ten minste voor zijn oudste zoon Jochem R. — die in 1757 was getrouwd met Catharina (Trijntje) Kerklaan en inmiddels twee kinderen had — een woning wilde regelen.

4.3 De familie Lelijveld langs de Stompwijkseweg
4.3.1 Vader Jochem Lelijveld
Via dit bezit wordt ook zichtbaar waar de volgende generatie zich vestigde, in het bijzonder Jochem R. Lelijveld, de vader van Marijtje. Uit de belastingkohieren van Stompwijk blijkt dat Jochem R. Lelijveld vanaf 1759 direct na Cornelis Verheul stond geregistreerd. De belastinginner liep jaarlijks een vaste route van oost naar west langs de Stompwijkseweg, waarbij belastingplichtigen in volgorde van hun woonlocatie werden geregistreerd. Dit patroon wees erop dat hun woningen in elkaars nabijheid lagen, zonder dat duidelijk was of ze aan dezelfde zijde van de vaart woonden of tegenover elkaar.
De koopakte uit 1759 geeft uitsluitsel. Daarin wordt het door Reijn aangekochte huis beschreven als gelegen tussen de Stompwijkseweg en de Ommedijk, met ten westen de Kees Jan Koenensloot en ten oosten het perceel van Cornelis Verheul. Hieruit blijkt dat Verheul de directe buurman was, aan dezelfde zijde van de vaart. Dit maakt het aannemelijk dat Jochem met zijn gezin in dit huis in de Grote Blankaartpolder woonde.
Het betreffende pand, gelegen aan de Kees Jan Koenensloot en in 1759 grenzend aan het land van Verheul, zou hij in 1778 van zijn vader erven.

4.3.2 Oom Teunis R. Lelijveld
Ook zijn broer Teunis R. Lelijveld wordt in hetzelfde belastingkohier vermeld. Zijn positie aan het begin van het kohier wijst erop dat hij nog oostelijker woonde langs de Stompwijkseweg/-vaart. Dit komt overeen met het feit dat Teunis in 1766 zijn ouderlijk huis verliet en een woning kocht bij het Verlaat (sluisje) aan de overzijde van de Stompwijkse Vaart, in de Grote Westeinder Polder.

4.3.3 De erfenis en de verdeling van de huizen
De verdeling van de nalatenschap van Reijn bracht de woonverhoudingen nog scherper in beeld. In 1777, kort voor de komst van Gaudentius naar Stompwijk, overleed Rein J. Lelijveld. Zijn vrouw was reeds eerder in 1775 gestorven. Bij de boedelverdeling in 1778 waren zijn zonen Jochem en Teunis de enige twee erfgenamen.
Oom Teunis erfde:
• een afgebroken huis en erf in de Soetermeerse meerpolder, vermoedelijk het in 1738    aangekochte huis door zijn vader Reijn;
• vier percelen wei-/hooiland in de Grote Blankaartpolder;
• één perceel in de Westeinder Polder omtrent het Verlaat.
Een logische keuze, want Teunis had al in 1766 een huis gekocht in de Westeinder Polder omtrent het Verlaat aan de Stompwijkse Vaart. Het is duidelijk dat Teunis — met zijn keuzes vooral voor percelen grond — zich meer op het boerenbedrijf heeft gericht.
Vader Jochem erfde:
• het huis naast de pastorie/kerk aan de Stompwijkseweg in de Drooggemaakte Grote    Polder;
• en het huis verderop in de Grote Blankaartpolder naast de Kees-Jan Koenensloot.
Anno 2026 is op deze laatste locatie eetcafé De Hoge Brug gevestigd.
Later, in 1790, zou blijken dat ook het huis in de Westeinder Polder omtrent herberg Het Blesse Paard in zijn bezit was gekomen. Mogelijk heeft Jochem het huis van zijn vader al voor de boedelverdeling — wellicht onderhands — in zijn bezit gekregen. Want het huis wordt in 1778 niet genoemd in de boedelscheidingsakte, terwijl er in de Morgenboeken van Stompwijk in die tijd wel melding werd gemaakt van een bezit in de Westeinder Polder omtrent Het Blesse Paard.

4.4 Het ouderlijk gezin van Marijtje
4.4.1 Het gezin waarin zij opgroeide
Tegen deze achtergrond groeide Marijtje op in het gezin van haar ouders, Jochem en Trijntje. In 1757 trouwde Jochem met Trijntje Kerklaan. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren: het eerste kind dat bij de geboorte overleed , Anna (1759) en Marijtje (1761).
Na de erfenisverdeling in 1778 beschikte Jochem over drie huizen. Op basis van de reconstructie van zijn woonhuis is het aannemelijk dat Marijtje haar jeugd doorbracht naast de Kees-Jan Koenesloot. Wat deed Jochem met de overige twee huizen? Uit het testament van Jochem en Trijntje weten we dat hij schoenmaker was. Mogelijk werkte hij vanuit huis, maar het is ook denkbaar dat hij een van de andere huizen voor zijn beroep gebruikte. De huizen rondom de pastorie/kerk bleken veelal een winkelfunctie te hebben: aan de oostzijde, naast Jochems huis, zaten kruideniers Willem Droog en Claes Bolleboom, en aan de westzijde waren de kleermakerij van Pieter Ingenraaij en de bakkerij van Claas Conijnenburg gevestigd. Wellicht vestigde Jochem zich met zijn schoenmakerij in dit rijtje winkels.

4.4.2 Anna en Marijtje gaan ieder hun eigen weg
In 1780 trouwde Anna met schipper Willem van den Bosch. Vanaf 1787 was Willem officieel aangesteld als marktschipper door het ambacht van Stompwijk. Hij voer met handelswaar van het Soetermeerse meer en de omgeving van Stompwijk naar steden als Leiden, Delft, Rotterdam en Den Haag. In februari 1781 kregen Anna en Willem hun eerste kind. Grootvader Jochem heeft zijn eerste kleinkind nog mogen meemaken, maar overleed een maand later op 50-jarige leeftijd. Opvallend is dat Willem van den Bosch vanaf 1780 in de belastingkohieren direct vóór zijn schoonvader Jochem staat ingeschreven. Dit suggereert — zoals we eerder zagen — dat het jonge paar nabij of bij de ouders Jochem en Trijntje woonde, aan de Stompwijkseweg naast de Kees-Jan Koenesloot.

4.5 De ontmoeting van Marijtje en Gaudentius
Binnen deze kleine en hechte gemeenschap is het aannemelijk dat Marijtje en Gaudentius elkaar hebben leren kennen. Wanneer hun eerste contact precies tot stand kwam, is niet met zekerheid vast te stellen. Aannemelijk is dat Gaudentius bij zijn komst naar Stompwijk in eerste instantie vooral gericht was op het opbouwen van een beter bestaan.
Dat neemt niet weg dat hij mogelijk ook openstond voor het vinden van een levenspartner. Marijtje was op dat moment echter nog maar 15 jaar, terwijl Gaudentius ongeveer 22 jaar was, wat een directe kennismaking minder voor de hand liggend maakt. Toch kan niet worden uitgesloten dat zij elkaar al in een vroeg stadium hebben ontmoet, bijvoorbeeld via het gezin Lelijveld waarin Marijtje opgroeide.
Het is goed denkbaar dat Gaudentius eerst vertrouwd raakte met de familie Lelijveld, en dat pas later een persoonlijke band met Marijtje ontstond. Zekerheid hierover ontbreekt echter. De omstandigheden waarin zij elkaar uiteindelijk ontmoetten, laten zich daarom slechts reconstrueren aan de hand van enkele aannemelijke situaties.
• Zo woonden zij dicht bij elkaar in een kleine, hechte katholieke gemeenschap waar    iedereen elkaar kende, gesitueerd aan beide zijden van de Stompwijkseweg/-Vaart.    Gaudentius woonde niet alleen in de buurt van Willem van Rijn en Pieter Ingenraaij,    maar ook vlak bij de familie Lelijveld, als we ervan uitgaan dat de ‘schoenmakerij    Lelijveld’ naast de pastorie was gevestigd. Echter ook het huis aan de Kees-Jan    Koenensloot lag maar iets verderop.
• Ook werk kan een rol hebben gespeeld: misschien werkte Gaudentius in de    schoenmakerij van zijn aanstaande schoonvader Jochem Lelijveld, bij kleermaker    Pieter Ingenraaij of bij veenman/boer Willem van Rijn.
• Daarnaast kunnen dorpsactiviteiten, zoals feesten, markten en boedelverkopen, een rol    hebben gespeeld. Gaudentius en Jochem Lelijveld kwamen elkaar geregeld tegen bij    boedelverkopen, waaronder die van kleermaker Pieter Ingenraaij in augustus 1780.    Tijdens deze verkoop werd door beiden flink ingekocht, onder andere stoffen en    textielbenodigdheden.
Al deze contactmomenten – en wellicht nog andere- kunnen hebben bijgedragen aan een hechtere band tussen Gaudentius, Marijtje en de familie Lelijveld.

Uiteindelijk leidde dit tot hun huwelijk: op 19 mei 1782 verscheen Gaudentius Diemel voor de schout en schepenen van Stompwijk en de dezelfde dag voor pastoor Somveen in de kerk om te trouwen met Marijtje Lelijveld. Vader Jochem heeft dit niet meer mogen meemaken na zijn dood in 1781.

4.6 Trijntje Kerklaan na het overlijden van haar man Jochem
4.6.1 Alleen verder...
Na het overlijden van haar man Jochem in maart 1781 veranderde de situatie voor zijn vrouw Trijntje ingrijpend. Er viel een belangrijk inkomen weg, wat de vraag oproept hoe zij rond moest komen. Verschillende aanwijzingen suggereren dat zij het financieel niet makkelijk had. In hoeverre konden haar inmiddels getrouwde kinderen haar ondersteunen, en in hoeverre moest zij het zelf redden? Wat we in ieder geval weten, is dat zij al een maand na zijn overlijden twee bekende personen uit het ambacht Stompwijk, veenboer/landbouwer Matthijs van Rijn en winkelier Jan van der Velden, had gevraagd om haar zaken waar te nemen en af te handelen. Mogelijk heeft zij daarna, wellicht ook nog met hun hulp, tot aan haar dood in 1791 van alles moeten ondernemen om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.

Namelijk ruim een jaar na het overlijden van haar man Jochem, in juni 1782, liet Trijntje Kerklaan in een akte voor de schepenen van Stompwijk vastleggen dat zij 400 gulden had geleend van Maarten van der Aar uit Leiden. Als onderpand stelde zij haar huis naast de pastorie/kerk aan de Stompwijkseweg. Bij deze schuldbekentenis waren haar beide dochters, Anna en Marijtje, geassisteerd door hun echtgenoten Willem van der Bosch en Gaudentius Diemel, aanwezig. Opvallend is dat de dochters verklaarden:
• uitdrukkelijk toestemming te geven voor deze hypothecaire garantstelling,
• af te zien van hun recht op legitieme portie met betrekking tot dit perceel,
• en beloofden nimmer hiertegen in rechte op te treden.

4.6.2 Verkoop uit noodzaak?
Om in haar levenshoud te kunnen voorzien, zag zij zich waarschijnlijk genoodzaakt haar bezit geleidelijk te verkopen. Het lijkt erop dat Trijntje Kerklaan na het overlijden van haar man Jochem verhuisde van haar huis aan de Kees-Jan Koenensloot naar het huis naast de pastorie/kerk. Dit laatste huis stelde zij als onderpand voor de lening, terwijl het huis aan de Kees-Jan Koenensloot werd verhuurd aan Jan Konijnenburg. Vanaf 1787 liet Trijntje de grond van het huis naast de pastorie/kerk door het ambacht van Stompwijk afkopen, waarmee zij kapitaal vrijmaakte.
In september 1789 verkocht zij het huis aan de Kees-Jan Koenensloot aan huurder Jan Konijnenburg. Enkele maanden later, in december 1789, volgde de verkoop van het pand omtrent herberg Het Blesse Paard in de Westeinder Polder, eveneens aan Jan Konijnenburg. Ten slotte verkocht zij in juni 1790 het pand naast de pastorie/kerk aan de Stompwijkseweg aan haar schoonzoon Willem van den Bosch.
In de koopakte bevestigde Marijtje opnieuw geassisteerd door haar man Gaudentius, als erfgenaam afzag van haar recht op een legitieme portie met betrekking tot deze woning. Antje maakt als koper impliciet geen aanspraak meer op de nalatenschap.





Het is aannemelijk dat Trijntje bij haar dochter Antje en schoonzoon Willem in het huis naast de pastorie is blijven wonen tot haar dood in 1791.