Gaudentius Diemel - Stompwijkse jaren 1777-1790

5. GAUDENTIUS VERTREKT MET ZIJN GEZIN NAAR LEIDEN

5.1 Jaren na hun huwelijk in Stompwijk
De eerste acht jaren van hun huwelijk (1782–1790) woonden Gaudentius en Marijtje in Stompwijk. Hier werden hun vier zonen geboren: Johannes Theodorus (1783), Joachim Franciscus (1784), Wilhelmus Josephus (1786) en Arend Theodorus (1788). In welk huis het gezin precies woonde, is niet te achterhalen.

Mogelijk trok Marijtje in bij Gaudentius in zijn oorspronkelijke huurwoning, maar het is ook denkbaar dat hij een van de drie huizen van zijn schoonmoeder huurde om het groeiende gezin meer ruimte te bieden.

Rond 1789 veranderde de situatie ingrijpend, toen zijn schoonmoeder binnen één jaar al haar drie huizen verkocht. Of deze ontwikkeling het vertrek van het gezin heeft versneld, blijft onduidelijk. Mogelijk waren de inkomsten in Stompwijk onvoldoende om het gezin te onderhouden, of zocht Gaudentius emplooi buiten het dorp, bijvoorbeeld in een stad als Leiden, waar zich wellicht mogelijkheden voordeden om zich (verder) in het kleermakersvak te ontwikkelen. Hoewel de lakenindustrie in Leiden in deze periode in verval was en tot grote armoede leidde, bood de stad voor een kleermaker mogelijk toch betere vooruitzichten dan de Stompwijkse polder. In tijden van economische krimp probeerden steden als Leiden hun vitale ambachten namelijk te beschermen door vaklieden van buitenaf juist een plek te bieden.

5.2 Vertrek naar Leiden
In februari 1790 liet Gaudentius Stompwijk achter zich om in Leiden het poorterschap aan te vragen. Op 12 februari van dat jaar werd hij officieel in de stad ingeschreven als ‘Goudens Diemel’, kleermakersknecht, geboren in ‘Nederenbergen in 't Cleefse’. Twee getuigen, Barend van Dorsten en kruidenier Gerrit Lambooij, stonden voor hem borg bij deze inschrijving.
Daarmee wordt duidelijk dat hij in ieder geval op dat moment in dit ambacht zijn brood verdiende. Of hij het vak in Stompwijk ook al (deels) uitoefende, is niet met zekerheid vast te stellen, al ligt dat wel voor de hand. Ondanks het feit dat hij in de polder inmiddels een gezin met vier kinderen had gesticht en daar volledig gesetteld leek, koos hij er uiteindelijk toch voor om met zijn vrouw en zoons een nieuw bestaan op te bouwen in de stad.